Killing

We did it again: we killed the monster. Maar dit jaar had ik nog ‘slechts’ 3 uur 31 minuten en 10 seconden nodig om dit bloeddorstige monster, zich ophoudend in de Flevopolder, neer te sabelen. Dankzij mijn blade (wat een machtig wapen) ging dat 22 minuten sneller dan vorig jaar.

De dag begon met een kleine teleurstelling: Norbert van der Straaten deed uiteindelijk toch niet mee. Maar niet te lang getreurd: het beloofde een topdag te worden. Het was nagenoeg windstil, de mist die hierdoor was blijven hangen gaf een mystiek gevoel zo vlak voor de start.


In de mist

Een dag eerder had ik een teller gemonteerd. Jezelf drieënhalf uur oppeppen zonder dat je weet hoe ver je nog moet, of hoe hard je gaat, is ondoenlijk. Vooral als de wind tegen is, en het monster je keihard geselt, kan je elke positieve prikkel goed gebruiken. Dus zaterdag heel secuur met gaffertape e.a. vast gezet in de hoop zo min mogelijk van de aerodynamica te vernaggelen.

Vorig jaar had ik er zo’n 4000 km op zitten toen ik van start ging, nu stond de teller op 5800 km. Beide waarden zijn geen sublieme (understatement) voorbereiding op een duurinspanning van deze omvang. Deelnemers die de hele rit rond hun omslagpunt rijden (ik maak geen grapje) moest ik maar weer niet gaan proberen te kopieëren, anders zou het monster mijn vroeg in het tweede rondje de genadeklap geven. En vorig jaar ging ik door een diep dal het laatste rondje, dus ik was gewaarschuwd.

En er was nog een factor die het er makkelijker op ging maken: mijn wapen is zo stijf dat elke hoppel, elke oneffenheid voelbaar is. Voor je het weet snij je niet alleen je tegenstander de nek af, maar ook je zelf. Ook de diepe zet (ik heb er vanaf gezien om mn stuur hoger te zetten) is zwaar, heel zwaar.

En dan heb je ambitie, dodelijk voor het nemen van rationele verstandige beslissingen. Spottend met de wetten van de logia ging ik voor een tijd van onder de 3:30. Meer dan 20 minuten sneller dan het jaar er voor.


En los!

Maar goed, de start, die was goed. In tegenstelling tot vorig jaar nam ik niet een afslag te vroeg. Op de souplesse met een hartslag van 155 (10 onder omslag) en 38 km/u ging ik richting het viaduct. Oké, toch meer wind dan helemaal niets was de conclusie. Voorzichtig de snelheid iets laten zakken net als de hartslag en rustig blijven omwentelen.

Hoewel het hart en de benen goed hun werk deden, was het zitvlak direct in protest, na zo’n 20 km (nog 103 km te gaan) was dat al niet comfortabel meer. En toen tegen de wind in (verschil mee- vs. tegenwind was zo’n 4 km/u) rond de 35 km zelfs een klein krampje opstak vreesde ik met grote vrezen.

Toch ging het eerste rondje voorspoedig. In 1 uur 8 minuten en zo’n 50 seconden (35,6 km/u) lag ik op koers. Ik was er echter niet gerust op, want het lichaam protesteerde. En ik moest nog ruim 80 km. Ik liet m’n hartslag dus zakken tot zo’n 148 en probeerde m’n trapfrequentie wel hoog te houden. De bevoorrading ging goed, maar de gel die ik naar binnen werkte sloeg hard op m’n maag. gelukkig had ik ook een lichter verteerbaar energiedrankje bij me. Daarmee spoelde ik de handel weg en vervolgde de tocht.


122,4 kilometer asfalt…

Halverwege de tweede ‘rak’ tegen draaiden we een doorgaande weg op en moest ik – de enige keer – licht in de remmen om niet onder een oto te geraken. Niets aan te doen, en ook geen killer voor je tijd. (We mochten willen dat ons parkoers in Woubrugge zo verkeersluw was) Ook voelde ik weer een beetje krap zo aan het einde. Even strekken en uit het zadel was het devies om de pijn dragelijk te houden.

En toen kwam de laatste ronde. De tussentijd die ik zag bevreesde mij: 2:19 nog wat. Dat betekende dat ik mijn doel niet ging halen, of ik zou alles uit de kast moeten halen. Maar het deed al zo’n pijn! Goede raad was duur en in herinnering ervoer ik weer hoe vorig jaar het licht uitging. Ik wilde best als een uitknepen sinaasappel over de finish rollen, maar alléén met een goede tijd.

Ik voerde m’n hartslag op tot 155 en besloot te zien waar het schip zou stranden. De bevoorrading ging wederom goed, maar ik besloot naast m’n energiedrankje dit keer een Twix naar binnen te werken, een gel zag ik mezelf niet overleven. Daarna begon het grote aftellen: nog 30 km, nog 20 km, tegen de wind ging het nog maar 31 à 32 km/u. Twee keer moest ik serieus uit de pedalen om de opkomende kramp te temperen. Toch bleef alles binnen de perken, ik perste er nog een lichte versnelling uit. Op het laatste rechte stuk echter werd ik – de enige keer – ingehaald. Bottecchia (lid van forum.fiets.nl) ging mij voorbij. Dat mocht niet! Ik zette aan en oei, daar was de kramp…


Hoe sterk (en hoe eenzaam)…

Langzaam liet ik me weer zakken in het zadel en herstelde. Bottecchia liet mij achter zich. Met de finish in zicht perste ik er echter nog een keer alles uit. Met 45 km/u rolde ik over de finish. Dat was toch iets beter dan de 23 km/u van vorig jaar. Ik rolde uit. 34,8 km/u! Je moet uitrijden, zei een stemmetje in m’n hoofd. Ook dat besloot ik de nek om te draaien. Een eitje na het verslaan van het monster…

Leave a Reply