Archive for September, 2009

Verstrooid

Wednesday, September 30th, 2009

Kent u die mop van die verstrooide wielrenner die ging tijdrijden? Natuurlijk kent u die. Het is een mop met een baard. En niet een baard als onze nieuwbakken wereldkampioen tijdrijden Fabian Cancellara, maar die van onze goedheiligman. Jammer genoeg, want tijdrijden als Fabian – snelheid en behendigheid – dat zou ik ook wel willen.

Enfin, met de pijn nog in de kontachterwerk van de 122,4 km lange veldslag toog ik vanmorgen met mijn machine richting de otomobiel. Ook de fietsgereed­schapskist, en de tijdritfietspomp (met haaks fentielsluitstuk) had ik bij me. Alles ingeladen voor een dag deugdzame arbeid.

Belt rond half zeven mijn liefje:
РZeg liefje, je hebt toch maar ̩̩n druppelhelm?
– Ja, hoezo?
– Nou, er staat hier een tas in de gang, met je helm, snelpak, en je witte raceschoenen

Timo

Tuesday, September 29th, 2009

Timo, die naam zegt u wellicht niets, maar dat is een groot renner in de dop. Met zijn korte lijf en zijn vlieggewicht van acht pond is geen berg te hoog. En hij kent als geen ander de mantra’s van een goede training: op tijd eten en heel veel rust. Zoals Joop al zei: de koers wordt gewonnen in bed. Heden is een kampioen geboren.

De koersfiets van Timo

Uitvoerige testritten door oom en vader

De talentbegeleiding

Veldslag

Sunday, September 27th, 2009

Tijdrijden is vechten, is strijden. Strijden met de elementen, maar bovenal met jezelf. Deelnemen aan tijdrit van 122,4 kilometer is in dat licht bezien het voeren van een veldslag. Je hoofd is de veldheer, je lijf en spieren de manschappen. Een slag die je niet gaat winnen door met z’n allen naar voren te stormen, met bijlen en zwaarden op de tegenstander in te hakken en, als de stofwolken opgetrokken zijn, te kijken wat het resultaat is.

De bevoorrading van de manschappen is van essentieel belang. De gepantserde  tank is ter preparatie van de strijd belanden met een  bidon water en isotone dorstlesser in de bidonhouders. Een voedingsgel (uit de ruimtevaart afkomstig)  is met gaffertape aan de bovenbuis van de tank bevestigd. Geen oorlog zonder gaffertape. Een tweede bidon met isotone dorstlesser wordt in overleg met de ondersteunende troepen op 2/3 van de strijd afgeleverd.

Dan de analyse van de vijand. Het is een groot monster dat zich in de Flevopolder heeft genesteld.  Hij ligt daar heel rustig, in nevel gehuld. Hij blaast en briest niet. Maar zijn staart, 40 kilometer lang, daar zit venijn in, heel veel venijn. Zijn rug lijkt glad, maar kent ruwe stukken. Stukken waar hij je doet schudden op je grondvesten. Zeker in een tank. Die doet niet aan vering.

Dan wordt op de hoorn geblazen. Ten strijde! De veldheer geeft de manschappen de opdracht de tank in beweging te zetten. En binnen no-time rijdt het gevaarte op ramkoers en snelheid. Elke keer als het monster zich opwerpt voor een tegenaanval, slaan de troepen terug.

De tankcommandanten rapporteren voortdurend aan de veldheer: toerental van de motor: zo’n 150 per minuut; kruissnelheid varieert tussen de 36 en 39 kilometer per uur. Onder de manschappen nog geen doden of gewonden. Na 1:05:02 klinkt er zelfs een luid hoera: de kop is eraf.

De veldheer ziet dat het goed is en knikt instemmend. Dit gaat goed. Wel mag het nog nét iets harder. Het monster is ernstig verzwakt, dus de troepen kunnen het lijden. De commandanten krijgen de opdracht de snelheid iets op te voeren. Getrouw voeren zij die opdracht uit. De snelheid gaat omhoog, terwijl het toerental van de motor eerder daalt dan stijgt. Het loopt als een zonnetje. De vijand lijkt verslagen.

Dan komt de eerste tegenslag. Wat er precies gebeurde is niet duidelijk, maar de radio valt uit. De technicus checkt nog snel of de stekkers nog goed zijn aangesloten, maar komt al snel tot de conclusie dat de lijn dood is. Een aantal manschappen mort en bromt wat, maar de tankcommandanten houden de moet er in. We gaan goed, en de vijand is murf gebeukt door het voortdurende werken, beuken en knokken van de manschappen.

De veldheer is in zijn nopjes als de volgende rapportage doorkomt: 1:04:35 over het tweede deel van de veldtocht. Nog beter dan het eerste deel. De troepen hebben nog geen centje pijn. Go, with the f low. Of zo iets.

Maar fenijn zit hem in de staart. Na de bevoorrading komt er snel zand in de machine. De eerste gewonden worden gemeld:

– Sergeant Hamstrings, check.
– Soldaten eerste klasse Bill L. en Bill R., dubbel check.
– Kadet Onderrug, check.
– Korporaal Van der Voet, idem.
– Commendant Bovenbenen, wat denk je zelf?
– Soldaat tweede klasse Schouders, check.
– Luitenant Nekspieren, check.

Een veldhospitaal biedt geen soelaas tijdens een veldslag, we moeten het doen met deze aangeslagen manschappen. Het monster en zijn staart roeren zich hevig. Er dreigt muiterij op de tank. De motor protesteert hevig, de manschappen idem. De chauffeur probeert door voortdurend op- en afschakelen de motor voor afslaan te behouden. De troepen vloeken en tieren, de zwaargewonden zouden wel willen janken, maar houden zich groot.

Maar er wordt verbeten, er wordt doorgezet. Op karakter,  en op bloeddoorlopen tandvlees, houdt men de moed en de vaart er in. Enigszins. Ondanks dat het monster is gaan blazen, komt de aanval niet tot stilstand. Na 3:17:53 volgt de genadeklap. Het monster valt dood neer. De tank rolt uit. De troepen klauteren meer dood dan levend van het voertuig. We hebben het gered.

Brabantse Pijl

Sunday, September 13th, 2009

In een bui die midden hield tussen oud-christelijke naastenliefde en post-modern altruïsme had ik aangeboden een vriend te helpen met het leggen van tapijttegels in zijn onlangs betrokken woning. En voor zij die verschoont zijn geweest van deze onpraktische en enigszins uit de mode geraakte vloerbedekking: Een tapijttegel is een vervangbaar, vierkant stuk tapijt, dat gemakkelijk gelegd kan worden en bij beschadiging kan worden vervangen, tenminste volgens de auteurs van Wikipedia, want het leggen is gewoon een ordinaire kl##t@ klus.

Maar goed om een kort verhaal lang te maken: na een dag op de knieën, en een avond gezellig napraten/borrelen (een glaasje wijn)/gezelschapsspellen spelen, was het laat voordat ik thuiskwam. Nadat ik de fietsendrager op de oto had gemonteerd en uit de was nog de laatste benodigde kledingstukken had gevist plofte ik om 0:50 in bed. O ja, zomertijd: plofte ik om 1:50 in bed.

Van te voren had ik me voorgenomen (voornemen is natuurlijk per definitie voorafgaand aan) om netjes te ontbijten, maar toen de wekker om 6:30 ging en een aantal beenspieren ernstig protesteerde na een dag tapijttegels leggen, was het laatste waar ik zin in had vluchtig ontbijten, laat staan fatsoenlijk eten. Goede raad hoeft niet veel te kosten (zolang je geen consultants inhuurt) en met twee Twixen in de mik en een fles huismerk 7-Up-kloon in de aanslag showde ik de uitdragerij (kleding, fiets, gereedschapskist, etc.) richting de oto.

Ondanks de aanwezigheid van elektronische navigatiehulp was de weg naar de Beer van Zoetermeer niet zo triviaal als het lijkt. Zoals ik na afloop aan de Beer en zijn Berin uitlegde. Hun wijk is namelijk bedacht en opgetrokken in de jaren 70 en de toen verantwoorde planoloog heeft de straten op de kaart in getekend ná het roken van een grote hoeveelheid geestverruimende grasproducten. Dat maakt het stratenplan zeer creatief, maar navigeren is een hel: je mist namelijk zo nu en dan een straatje/kronkeling in de route.

Daar op desalniettemin op tijd aangekomen stond de Beer zijn band te fixen. Nul kilometer gereden en al lek. Ik geef het u te doen. Enfin, ook zijn uitdragerij werd in de oto gehesen, en zijn dranghek werd tegen het mijne aangekwakt. Hierbij bleek dat onze frames in maat minder verschilde dan wij dachten (lees, het mijne is ook best groot en dient des dien te gevolgen het zelfde predicaat te ontvangen). De reis die volgde was goed te doen (1 uur en 45 minuten) en aangenaam. De Beer praatte honderduit, en in tegenstelling tot wat velen van mij zouden verwachten deed ik er regelmatig het zwijgen toe. Twee mensen die tegelijk honderduit praten zijn – zelfs voor mij – te vermoeiend.

In België bleken op de plaats van afspraak geen hallucinerende planologen actief geweest en de parkeerplaats was snel gevonden. We waren de laatsten die zouden arriveren. Helaas voor Rocketboy ook de nummers 3 en 4. Zijn voorbereidende werk was voortreffelijk en het resultaat was dat ook. Daar hadden veel meer fietsliefhebbers van mogen, wat zeg ik: moeten genieten. Maar laten we het doen met de mensen die er wel waren: Rocketboy.

Als u die naam leest dan denkt u waarschijnlijk aan iemand met enige vorm van zelfoverschatting. Ook verwacht u niet dat deze persoon de dertig reeds enige tijd gepasseerd is, in tegendeel. Dat zelfde tegendeel geldt voor Rocketboy: een bescheiden vriendelijk dertigplusser die gecamoufleerd door zijn zachte Vlaamse tongval humoristisch edoch vilein uit de hoek kan komen: “Ik zag u begeerlijk kijken na die kasseistrook die wij zojuist links lieten liggen, we kunnen er een blokje voor om rijden natuurlijk (..)”

Het blauwe vogeltje (Bluebird, waaarom doe ik altijd zo moeilijk) vloeg nog niet zo hard en hoog in het nieuwe seizoen als ik had verwacht (lees, ik dacht dat hij ons compleet de vernieling in zou fietsen, maar dit bleef uit). Wel was de Biachiofiel op een …, inderdaad, daarop. Reisgenoot Ferry1982 (geboren in) tot slot, zag stiekem best wel op tegen deze beproeving. Niet alleen liep hij achter op het geplande trainingsschema, ook waren de laatste voortekenen van vorm (of het gebrek daaraan) nog niet geruststellend.

Maar niet getreurd, onze tourleider stuurde ons direct omhoog, en het antwoord zou snel volgen. (En viel mijns inziens mee) Als fervent liefhebber van het draaien van een constant beentempo bij een constant vermogen op fatsoenlijk geasfalteerde wegen, was ik vandaag niet aan het goede adres. Voor korte steile klimmetjes over beroert geasfalteerde of met kasseien bezaaide karrensporen had ik geen beter adres kunnen vinden.

Klim na klim verteerde dit lichaam, en dat ging niet geheel zonder slag of stoot. De zere benen waren er bij aanvang al, en dit ebte niet weg door de inspirerende omgeving, mooie klimmen, regelmatig doorbrekende zon, en moraalgevende mede-coureurs die gaten lieten vallen. Om kort te gaan, het was afzien. En toen kwam de eerste stook.

Amay-amai, mijn niet bestaand opperwezen, wat was dat euh, vervelend. Het ging omhoog en ik werd dusdanig hard door elkaar geschud dat ik betwijfelde of ik ooit nog fatsoenlijk zou kunnen urineren, als u begrijpt wat ik bedoel. Tergend traag ging het over de steentjes terwijl de hardslagmeter in de rode zone verkeerde. De immer vrolijke toerleider deelde doodleuk mede dat volgens de Parijs-Robaix schaal niet hoger zou scoren dan 1, en dat ik er beter harder overheen kon gaan, met de handen niet in de beugel (o ja, dacht ik nog, das waar ook). De volgende stoken gingen beter (het zal nooit mijn liefhebberij worden, ik prefereer andere vormen van masochisme).

Dat brengt me direct bij voor mij het hoogtepunt van de dag: De Moskesstraat. Gastheer G heeft al uitvoerig uitgelegd dat dat geen straat is waar je je oma parkeert als ze, slecht ter been geworden, op zoek gaat naar een senioren- of aanleunwoning. Ik had me echter niet heel goed ingelezen en werd ternauwernood geïnstrueerd door de toerleider.

Het begin was te doen, maar toen het steiler werd en ik wilde staan bemerkte ik een aantal pratkische nadelen van caseien in zijn algemeenheid, en van caseien als de weg om hooggaat in het bijzonder: Je kan niet zomaar gaan staan om aan te zetten, dan slip je weg. En dat is hinderlijk. Het is glad en geeft weinig grip. Je moet je teglijk focussen op het trappen, ontwijken van kuilen gleuven en andere afwezigheid van wegbedekking, het vinden van een goede lijn, en het druk houden op achterwiel. Toch is het gelukt! Op de 39×28 kwam ik boven. Als eerste zelfs en ik was groos en content met m’n eiguh. Vooral omdat alleen de koersleider dit huzarenstukje evenaarde.

Bluebird en Ferry1982 kwamen te voet naar boven. Onze immer vriendelijke tourleider legde dit vast op de lichtgevoelicht chip. (Waarvan later ongetwijfeld het bewijs) De passage van profs participerend in de echte Brabantse Pijl vormden een leuk intermezzo.

De toen vermoedelijk net ontstane kopgroep van acht man heeft het tot de streep gered lijkt het.

Bij terugkomst op de parkeerplaats bleek deze immer verstrooide lapzwans en auteur van een inmiddels veel te lange blog, zijn portemonnee niet meer te kunnen terug vinden. Hij moest in de oto liggen, maar waar? Enfin, omdat het verhaal nu wel lang genoeg geduurd heeft: deze werd pas ruim na thuiskomst gevonden, idd in toch in de oto (onder de bestuurderstoel). Derhalve bedank ik de deelnemers die mijn drankje en brandstof op de terugweg hebben voorgeschoten. Dank, dank, dank! Deze dank is uiteraard ook voor Rocketboy: het was een topdag, dat moeten we vaker doen. Nota bene: Gedurende de heenreis ontweek ik nipt een eend die op de snelweg het tijdelijke voor het eeuwige probeerde te verruilen door een confrontatie met mijn wielen.

http://www.corniel.nl/zzz/fora/fiets_nl/2009-03-29_vlaanderen.jpg

Fans

Saturday, September 12th, 2009

Fans heb je in vele soorten en maten. Je hebt diehard fans, wannabees, gelegenheidfans, critische fans, en onvoorwaardelijke fans. Als je rocklegende, wielerheld, of over het paard getilde voetbalster bent is die laatste categorie gevuld met psychopaten, stalkers en wereldvreemde types, anders ben je daarvoor veroordeeld tot je moeder of je vriendin.

Omdat ik niet onaardig gitaar speel, tot op heden geen klassieker of grote ronde heb gewonnen en al helemaal niet kan voetballen, is er geen redactie die mijn fans middels dito glossy op de hoogte houdt van mijn doen en laten. Dus toen ik het plan opvatte om in Streefkerk acte de présence te geven, moest ik zelf een aantal telefoontjes, hyves-berichtjes, en e-mails de deur uit doen om mijn fans hiervan te verwittigen.

Maar wat een opkomst! Maarliefst een zestal fans was afgereisd om getuige te zijn van mijn start en finish tijdens door wielercomité Streefkerk georganiseerde tijdrit van 9,25 km. Het leek sowieso of ik er toe deed, want ik werd begeleid door een motor. Deze was nog net niet uitgerust met camera en corpulente verslaggever, maar die dacht je er zo bij.

Over de tijdrit kan ik kort zijn: die ging goed. De parcoursbouwers hadden het lumineuze opgevat om de start tegen de dijk op te posteren, waardoor je dus direct na het statschot op de pedalen beukend de dijk om mocht.

Nog niet bekomen van de aanslag op benen en longen was het op de dijk met je mond wijd open tegen de wind in. Als je al het idee had dat je iets zou willen sparen, dan was het niet nu. Gelukkig in 9,25 km niet lang, dus aan dit stuk tegenwind kwam snel een einde. Met een afzink van de dijk af, liep de snelheid wind mee op tot boven de 50 km/u. Elke keer als mijn tellertje dat aangeeft krijg ik een warm gevoel van binnen. Zo ook vandaag.

Met de wind schuin mee over de provinciale weg ging het nog steeds best hard, maar beduidend langzamer dan het lokale verkeer. Zo’n motor die wegpiraten, brokkenpiloten en anderszins niet geïnformeerde  automobilisten temt is dan zeer welkom en heeft er wellicht aan bijgedragen dat ik dit stuk parcours veilig overbrugde.

Niet alleen de snelheid zat er goed in, ook de hartslag liet astronomische waarden zien. Het laatste stuk tegen de wind richting finish verliest mijn hartslag de 175 hartslagen per minuut (10 boven omslag) om te eindingen op de 180 hartslagen per minuut. Slechts vier onder mijn maximum. Het was dan ook niet verwonderlijk dat ik eerst even moest bij komen alvorens mij door de toegestroomde fans te laten onthalen.

Dat deze prestatie ook nog goed zou zijn voor de tweede plaats, dat ik nooit kunnen bevroeden. Ik heb de prijsuitreiking niet afgewacht. Mijn fans wachtten op mij.

Bloemen

Thursday, September 10th, 2009

Noch als schaker, noch als tuinderskleinzoon, ben ik in mijn leven buitensporig in aanraking gekomen met bloemen. Los van dat ik in die eerste hoedanigheid niet veel gewonnen heb, zijn bloemen geen schakers ding. Heel soms komt er een beker(tje) aan pas, maar meestal alleen een envelopje. Een aangezien mijn opa naast komkommers, sla, meerdere smaken kool, enkel een klein hoekje sierplanten tot zijn beschikking had, ging dat hem ook niet worden.

Vandaag kon er dan toch verandering in komen. Mijn derde deelname aan het Swift Clubkampioenschap Tijdrijden stond op het programma. Podium pretendent VDB had zich afgemeld, de kampioen van vorig jaar was volledig uit vorm, en de Neut – die vorig jaar voor mij eindigde – heb ik dit seizoen bijkans in elke ontmoeting verslagen. De beul – vorig jaar tweede – is normaal gesproken out-of-reach, net als de revelatie van dit seizoen. Maar goed, wat wil je met een dubbele achternaam. Een triviale analyse gecombineerd met basisschool aritmetica leert mij: Je kan derde worden, en dat bekenend: bloemen.

Maar vandaag is niet alleen de dag van het clubkampioenschap, het is ook dé dag.  De dag, dat mijn geliefde en ik bemerkten wat er gebeurt als de vonk overslaat. Ik had dus ook niet veel keuze. Ik móest wel met bloemen thuis komen. En die beloofde ik dus…

Aangekomen in Woubrugge – mijn achtertuin – was het ongebruikelijk druk. Horden Swift jeugd trappelden vol ongeduld. Op veel te grote fietsen – die er desalniettemin heel klein uitzagen – poogden zij immense afstanden in buitenaardse tijden af te leggen. Sommige ouders waren zo mogelijk nog fanatieker, maar de meesten keken gemoedelijk toe.

Ik besluit de spruiten linkt de laten liggen en rechts te laten fietsen, en doe een goede warming-up. Ondanks de niet gunstige omstandigheden – de snelste tijden worden gereden met wind tegen richting de finish, nu is deze mee – gaat het goed tijdens het inrijden.  Voorzichtig hoop ik op een PR. Goed gehelmd ga ik richting de start.

Kort na de start ging het mis. De snelheidsmeter baarde me zorgen. Verder maakte zich een leeg gevoel van mij meester. Ik dacht aan mijn stevige lunch. Die was wel lang geleden. Misschien wel te? En ik had geen energiedrankje  genomen. Negeer, laat het van je afglijden, weg. Als ware ik de Hare Krishna zelve.

Wind mee. Tijdens het inrijden ging het hier veel, veel harder. Ik zat gelukkig wel boven omslag. Het enige lichtpuntje. In de slingerbocht zag ik een in koers gekrashte vriend staan. Met mitella en fotocamera. Hij zij iets vriendelijks, denk ik, het ging langs me heen, ik probeerde de bocht goed aan te sturen.

Vlak voor het keerpunt spotte ik de Neut. Mijn concurrent voor het podium. Ik lag op hem voor, dat leek duidelijk. Na het keerpunt kwam ik op een schatting van 14 seconden. De overige podiumpretendenten kwamen echter verbazend hard aangedenderd. Ook de‘zogenaamd ‘uit vorm’ zijnde regerend kampioen, zat mij dichter op de hielen dan gewenst. Ik kon het echter niet pijlen en liet het voor wat het was.

De laatste bocht door was ik blij met de verkeersregelaars.  Twee voertuigen werden tegelijk gesommeerd te wachten tot ik voorbij was. Ondanks dat stond een van beide danig in de weg. Ik rook de stal bloemen. De chronometer maakte me duidelijk dat een PR er niet in zat. Ik vond het prima. Als ik dat podium maar haalde. Ik voerde de snelheid nog flink op. Bijna kotsend kwam ik over de streep. Dat er niets uitkwam, baarde me vandaag bijna zorgen.

Het bleek niet genoeg. Uitgerekend Gerard Snel – je verzint het niet – hield mij van het podium – en minstens zo belangrijk – van de ingecalculeerde bloemen. Als mijn fiets niet van een zeer edel en sterk metaal gemaakt zou zijn, had ik het terstond doormidden geslagen. Nu stond ik als een oorwurm voor mij uit te staren.

Nadat ik tijdens de prijsuitreiking maar liefst twee maal als nummer vier naar voren mocht komen Рook de competitie leverde geen podiumplaats op Рen alle anderen die aanspraak maakten op de bloemen gehuldigd waren, was er nog ̩̩n bosje over. Met de grootste en meest vertederende Bambi-ogen die ik ten beste kon geven waagde ik de gok. Uit pure genade Рwellicht ingegeven door wat sloofwerk gedurende het seizoen Рkreeg ik het. De eer was gered.

Thuis aangekomen kon ik vol opluchting toch nog een bosje rode rozen overhandigen. De trots die ik gehad had willen hebben, had ik allang aan de kant gezet. Ze keek me vertederd aan. Zij had nog een prakje van onze lievelingskost staan. Het was sneller weg dan de tijd die ik op mijn PR te kort kwam. Het smaakte heerlijk.

We waren moe en gingen direct naar bed. Nog voordat ik bloemrijk uiteen kon zetten hoe de avond verlopen was, lag ze als een roos te slapen.

Fietszeilen

Saturday, September 5th, 2009

Voor de derde maal – en op rij – deed ik mee aan het Nederlands Kampioenschap Tijdrijden voor vrije renners. Dat is een hele mond vol om aan te geven dat alleen kneuzen mogen deelnemen, en zij die om persoonlijke redenen hun Elite- en A-licenties hebben ingeleverd. Want die starten ook. Gelukkig voor mij is het merendeel van deze klasbakken ouder dan 40 jaar, en strijden zij met andere veteranen.

Maar de grootste tegenstander van een tijdrijder is- dat weet u – niet de tegenstander. Het is de tijd. Behalve op een winderig Texel. Daar blaast de wind de tijd naar het tweede plan.

Marion de Hondt – en Diana Woei ongetwijfeld ook – voorspelde het al: Zaterdag  5 september staat er veel wind (5 Beaufort), aan de kust zelfs 6 Beaufort, westelijk van richting. Als plankzeiler (in ruste) weet ik wat dat betekend: halve wind. Ideaal voor een dagje hard raggen op een kort surfboard met een niet al te groot zeil. Helaas, helaas. De medailles werden verdeeld onder diegene die het hardst fietsen. Dan is deze wind een ware hel.

Toch besloot ik geen ‘rif te steken’, maar‘volledig getuigd aan de start te vertrekken. Dus met disk en met drie-spaaks met hoge (60 mm) velg. Tijdens het proefrijden hield ik de boel aan de grond, en zolang dat lukt is de combinatie sneller.

Het plan was ‘sneller dan vorig jaar’, en ondanks de wind dit jaar zou dat moeten lukken. Vorig jaar waaide het namelijk nóg harder (alleen had je toen geen last van zijwind). We gingen wel kijken wat het ging brengen.

Na de start had ik een mooi tempo te pakken, met meer dan 50 km/u ging het bijna vol voor de wind. Dit was tijdelijk. Al snel draaide het parkoers en daarmee mijn snufferd zich in de wind. De snelheid zakte rap, en het sturen werd direct zwaar. De kont moest naar achteren om het stuur beter te controleren.

Voortdurend als ik dacht het juiste tempo en verzet goed gekozen te hebben,  moest er op- of af- worden geschakeld. De wind trok er hard aan, en zeker toen tijdens de heenweg het parcours voorschreef dat we de dijk op en een stuk buitendijks moesten, moest ik alle zeilen bijzetten om het rubber op het asfalt te houden.

Gelukkig haalde ik zowel op de heen- als op de terugweg de  nodige renners in om het moraal erin te houden. De hartslagmeter vertelde me dat ik lui was, maar ik kon niet harder. Voor een tijdritmantra had ik simpelweg geen tijd: alle aandacht werd opgeslokt door het stuur en de wind.

Met de haven in zicht begon ik me op mijn eindtijd te richten. Vorig jaar was het 45:44, nu ging dat – zover was mij wel duidelijk – sneller zijn. De teller stond nog onder de 40 minuten, maar ik was er nog niet. Vorig jaar was ik na binnenkomst een half uur lang de rapste gebleken, dat zou nu niet zo zijn: voor mijn start had ik een tussentijd gehoord, die was rapper dan de mijne. Enfin, het persen was begonnen.

De 41 minuten verscheen, de 42 minuten verscheen, 42:30, 42:40, 42:48. Wow! Twee minuten en zes-en-vijftig sneller. Bijna drie minuten. In de tent een kleine teleurstelling: 39,95 km/u. Waarom, waarom, waarom toch?