Grens

Voor de tweede keer organiseerde ik afgelopen zondag de TijdstrijdersCup. Te samen met V., Turbo T. en vele anderen hebben we iets mooi neergezet daar in die soms zo desolate Flevopolder. Afgelopen zondag niet trouwens. Een heerlijk zonnetje, bijna 20 graden Celcius en een zeer zwak windje maakte het tot een schilderachtig tafereel waar 130 tijdrijders (of beter tijdstrijders)  een ideaal podium geboden werd om hun eigen grens te verleggen. En dat dezen ze.

In hun kielzoch deed ik dat ook. Voor het eerst reed ik langer dan een uur achtereen meer dan 40 kilometer per uur, en hoewel ik hoopte zelfs onder het uur te kunnen duiken (waardoor ik de zojuist genoemde grens dan níet had kunnen halen). Toch ben ik zeer tevreden.

Na de nodige begroetingen – soms van vrienden/bekenden, soms van mensen van wie ik oprecht geen idee had wie ze waren (als was dat klaarblijkelijk niet wederzijds) – het mee helpen opstarten (al hadden V. en Turbo T. dat helemaal niet nodig, die kunnen het prima zonder mij af), en het aanmoedigen van m’n liefje (ze startte als derde) kon ik aan m’n eigen voorbereiding beginnen.

Het opwarmen op de Tacx ging maar matig. Vermogen en hartslag op laten lopen wilde niet echt lukken en na 10 minuten (20 gepland) kon Maarten z’n tabak te voorschijn halen. Ik stak m’n disc en reed met een omweg naar de start.

En dan de de start, de knop om, en gaan. Het loopt niet onaardig vanaf de start. Het is geen roes, en het voelt als werken, maar ik ben niet ontevreden. Zo nu en dan passeer ik voor mij gestarte renners. En de zon schijnt, altijd de zon, de zon, de zon (..)

Omdat ik de wind in eerste instantie tegen hebben, lig ik na het eerste rechte stuk achter op het gedroomde schema. Ook onder het schema van veer-tig-ki-lo-me-ter-per-uur.  Het gaat als een mantra door m’n hoofd.

Ik schakel bij. Het vermogen dat ik lever klimt ook iets. Halverwege het derde rechte stuk zie ik bij veertig minuten hoop gloren. Rekenen lukt niet precies, maar ik lijk op schema. Als ik bij vijfenveertig minuten ben kan ik kijken of ik boven of onder de 30 kilometer zit, en dus boven of onder schema.

Vierenveertig minuten, hobbel, tik, tik, tik. Huh? De snelheidsensor aan mijn voorvork bungelt los, langs mijn vork, danst op mijn drie spaken. De display jokt dat ik stilsta. Snel frommel ik de sensor om mijn kabel. Geen afstandsinfo meer. Alleen nog maar trappen. Trappen, trappen, trappen. De ademhaling is goed, het voelt prima en ik denk dat ik het ga halen. Ik ga het halen. Nog een tandje bij. Wellicht nog nét onder, onder, onder het uur.

De tijd tikt voor: wow, ook onder het uur? Ik zie iets? Nee, dat is de oversteek, daarna moet je nog wel een stukje. Het uur verstrijkt, de grens lonkt. Niet denken maar trappen. De seconden tikken voort: 45, 46, 47, 48, er staan veel mensen rond de finish, 49, 50, 51, 52, 53, binnen! Wow, joepie, yes, tjakka, oerkreet!

Langzaam kom ik bij zinnen. Ik spreek wat mensen, zie de laatste renners starten. Ik grabbel de laptop uit de oto en ga tijden invoeren. Met het verstrijken van de tijd vervaag ik tot een figurant op de finishlijst. Tot de winnaar iedereen declasseert: ze-ven-en-veer-tig-ki-lo-me-ter-per-uur. Ik her haal: ze-ven-en-veer-tig-ki-lo-me-ter-per-uur. Wow!

Leave a Reply